Het was een mooi huis. Gebouwd in pakweg 1890. Het had een zekere chique. Tweehoog was net goed. Wel was er een restaurant beneden, waarvan de afzuiginstallatie aan de achterkant etenslucht door grote pijpen omhoog blies.
Ik had beloofd mee te gaan met de kooplustige vrouw en haar makelaarster om haar voor een miskoop te behoeden. We bekeken het lege appartement uitvoerig, de lichtval, beluisterden het geluid van de straat beneden.
Het leek te doen. Geleidelijk begon ze het huis al in te delen, met een kleermakercentimeter ruimte af te passen voor boekenkasten. De makelaarster bleef aanprijzen. Ze had kennelijk haast. In mijn hoofd vormde zich een steeds duidelijker 'nee'. Vooral door het zware vrachtverkeer dat steeds zuchtend halthield bij het stoplicht beneden.
Maar de koopster in spe zweeg. Toen we eenmaal de trap waren afgedaald en buiten stonden en de makelaarster de voordeur had afgesloten en was weggefietst, keek de koopster nog een keer aandachtig om.
'Nee,' zei ze. 'Waarom niet,' vroeg ik.
'Die voordeur bevalt me niet. Daar zou ik niet mee kunnen leven, elke dag.'
Het was een fraai bewerkte voordeur, met glas-in-lood en kunstig traliewerk. Inderdaad, iets te fraai. Maar als dat nou alles was? Het was alles. Die voordeur. Dat deed het hem.