Met wiens ogen kijk je? Je ziet een Sri Lankese man, een vrouw en een meisje als asielzoekers in een verloederd Frans flatwijkje terechtkomen. Waar ze worden toegelaten omdat ze zich voordoen als een gezin, terwijl ze elkaar niet kennen.
Dat niet-weten is wat het vluchtelingenverhaal van Jacques Audiard zo sterk maakt. Je wordt als kijker steeds net zo door de omstandigheden overrompeld als de hoofdpersonen, en al het andere ongeregeld volk dat in de afgedankte Franse flatjes huist.
Drugsbendes zijn er de baas, maar als Dheepan van zijn baantje als conciërge probeert iets te maken, de verwarming repareert, de rotzooi een beetje opruimt weten de gangs even geen raad met hem. Hij trekt zelfs als een soort terreinknecht van een voetbalclub een keurige krijtstreep over het middenpad die de niet-schiet zone markeert waar de gangsters achter moeten blijven.
Waar dat lef vandaan komt blijkt als zijn verleden als Tamiltijger hem blijkt te achtervolgen.
Mooi is dan dat het per ongeluk ontstane drietal zo op elkaar aangewezen raakt dat ze werkelijk een gezinnetje lijken te worden. Tot het geweld – een shootout - de film overneemt, wat je als kijker al stap voor stap zag aankomen.
En het slot van de film is dan de droom die ze alledrie voortdrijft op hun vlucht: Engeland. We zien een gedroomd Engeland waar ze op een gazon met andere overlevers picknicken. Terwijl je weet dat dat er echt niet in zit. In die droom ontmoeten film en kijker elkaar.