Droombloemen

 Het is 1828. Heinrich Heine is nog maar net in Italië, in Trentino. Gaat vroeg slapen. En komt terecht in een wonder van droomprecisie.

 'Ik ging spoedig naar bed, sliep al vlug in en verstrikte me in dwaze dromen. Ik droomde me namelijk een paar uur terug, kwam weer aan in Trento, verbaasde me weer, net als eerder, en nu eens te meer omdat nu bloemen inplaats van mensen door de straten wandelden.

 Daar wandelden gloeiende anjers, die wellustig waaierden, koketterende balsemienen, hyacinten met aantrekkelijke lege klokkenkopjes en daarachter een tros snorrenbaardige narcissen en lummelige riddersporen. Op de hoek kibbelden twee madeliefjes. Uit het raam van een oud, ziek uitziend huis keek een gevlekte violier, echt mal gekleurd, en achter haar klonk een duf ruikende viooltjesstem. Op het balkon van het grote palazzo op de markt was de gehele adel verzameld, de hoge adel, namelijk die leliën die nooit werken, niet fantaseren, en zich toch net zo schitterend vinden als koning Salomo in al zijn heerlijkheid. Ook de dikke fruitvrouw dacht ik daar te zien; maar toen ik wat beter keek was het maar een verwinterde ranonkel, die meteen op me loskefte... (...) usw.'

 Heine vlucht, altijd nog dromend de Dom binnen waar ik zelf het avondlicht zo mooi vond en treft daar niets dan vrome bloemen. Er wordt juist een gestorven roos bijgezet. De lijkrede is zo vervelend dat hij er wakker van wordt.

Tags: