Duw

 Mensen kunnen je zomaar tegenstaan. Zonder dat daar zo direct een aan­wijsbare reden voor is. Het kan hem zitten in hun manier van spreken, hun bewegingen, hoe ze uit hun ogen kijken wat ook. Onvergetelijk blijft wat René Magritte deed toen hij bij thuiskomst een keurig geklede onbekende heer aantrof, kennelijk binnengelaten door zijn vrouw. De heer zweeg. Er ontstond en moeilijke situatie. Tenslotte nam Magritte een korte aanloop en gaf de onbekende heer een geweldige schop voor zijn kont. Die reageerde niet tot mevrouw Magritte thuiskwam.

 Vergelijkbaar was wat in Eerbeek gebeurde toen ik met broertje Hans en de door mij uitgenodigde Michiel van Breda - zoon van de maker van het fameuze 'Plezier met papier' - maar huis wandelde langs de beek. Altijd zeer vies, vol verfstoffen en afval van de papierindustrie.

 Bij een vervallen steigertje waar deze Michiel stond te kijken nam Hans de zelfde korte aanloop en plons, daar verdween Michiel in de stinkende beek.

 Hans besefte meteen dat hij iets onvergeeflijks had gedaan en begon zich door de nabije brandnetels te wentelen, als een soort zelfbestraffing om andere bestraffingen voor te zijn. Roepend 'Kijk, ik gooi me al in de brandnetels'.

 Het jongetje werd meegevoerd, gewassen en verschoond. En door mijn moeder naar huis gebracht.