Een parkeerseizoen

 Het nieuwe nummer van poezietijdschrift Het Liegend Konijn bevat - uitzonderlijk - een cyclus van elf autogedichten, van Chris Honingh (1951). Auto's, te gewoon om er gedicht­en over te schrij­ven, lijkt het. Terwijl we een groot deel van ons leven in ze doorbrengen. Terwijl we de wereld zo goed kennen van autohoogte. Waarneming door voorruiten, achter- en zijspiegels. Stilstaan in de stad voor een stoplicht, met zicht op de konten, jassen en tassen van passanten die jou niet zien, tot je weer mag. 'Je mag.' zegt je bijrijdster als je verdroomt. De fileblikken op medemenselijke berusting. Hondsrug heet de cyclus, 'een eerbetoon aan Knorrende Beesten van Ferdinand Bordewijk'. En dan dit, Cabriolet Imperial:

 Misstaan Impala's in de straat,

de trotse koplampogen stralen

verder dan savannes, hoogpoot

 

loop toch op het zebrapad, laaf

je aan je gelakte huid, waarop

ruitenwissers fluiten. Banieren

 

braken in de binnenstad en loot

na loot ontwaakt uit een mystiek

soort winterslaap. Bemoei je met

 

je eigen zaken, dit is het uur der

wrake niet. Rijd rustig, rem met

mate, anticipeer op onverlaten,

 

die draaien in het hoge gras om

het onbewaakte ogenblik, houd

vooral je jongen in de gaten, zo

 

zijn ze er, zo zijn ze opgevreten

door casino's vol waanzinnige

proleten of obscene surrogaten.