Eerste keer

 Waar ik het meest bang voor was, was de oude dame met de stok, die soms zomaar aan de deur kwam. Ze sprak zeer luid en had altijd een spreekhoorn bij zich, van het soort dat later door Gerard Reve een 'koperen luistertrompet' is genoemd.

 Als ze iets tegen je zei deed ze dat door het mondstuk van de reuzentrompet en hield hem tegen je oor. Meestal wat men zoal tegen een klein kind zegt dat gesommeerd is 'een handje te komen geven'. Zij was een van de dames Zimmermann en woonde oven, in een van de witte huizen aan de Ijsselkade. Ik was er wel eens geweest. De hand van mev­rouw Zimmermann voelde verkreukeld en uitgedroogd aan. Alsof ze niet meer leefde. Ze was een heks, vast en zeker.

 Als ze aankwam verstopte ik me onder wat bij ons het 'buffet' heette, maar dat hielp niet.

 Verderop, voorbij de Wijnhuistoren en de Groenmart (zoals mijn moeder het uitsprak, zonder k) lag het raadselachtig omhoogschuifbare brede raam van wat het café genoemd werd. Bij warm weer bleef ik daar staan dralen om te kijken naar de mannen met van achteren glimmende vesten die met hun stokken de witte en rode bal bewogen over het heldergroene laken onder de lampen, in een wolk van rook.

 Dit zijn eerste keren. De meteen verdwijnen bij de eerste aanblik. Soms kom ik de resten van zo'n eerste keer nog wel eens tegen, en weet dan dat hij daardoor geen eerste keer meer is. Er bestaat geen religie waarin 'de eerste keer' vereerd wordt.  Zelfs de Grieken kenden geen God van de eerste keer.