De dichter die ik leerde kennen moest een geestverwant zijn. Er was iets. 'Volgens mij woon jij in een huis met een erker,' schoot er bij mij opeens uit. Hij gaf het onmiddellijk en ruiterlijk toe.
Op weg naar huis bleef het woord zich maar uitleven in beelden. Heel mijn jeugd woonde ik in huizen met erkers.
Ook mijn grootouders woonden in een erkerhuis. De erkermens staat peinzend, veilig onzichtbaar achter de vitrage, de handen op de rug, te kijken naar wat zich in hun straat afspeelt. Luidruchtig afscheid nemende buren, passerende vrouwen, altijd wel wat. De erkermens wil zien zonder gezien te worden.
Mijn vroegste erker‑ervaring: ik ben een jaar of vijf en zit op de vloer met blokken te spelen. Buiten zijn oudere jongens aan het voetballen. Er klinkt een oorverdovend geraas, en het volgende moment ligt er een leren voetbal naast me op het tapijt. Blij verrast keek ik naar het plotselinge cadeau. De spiegelruit lag in stukken over de potplanten.
Het woord erker komt uit het Noord‑Franse 'arquière' de uitbouw in kasteel‑ of stadsmuren, voor het geschut.
Hoe die uitbouw zich ontwikkeld heeft naar de vorm die doet denken aan een drieluik, weet ik niet. De erker hoort tot ons volkseigen, als de kaasschaaf. In de oud-nieuwbouw van de laatste jaren is hij weer helemaal terug.