Het begon met een klein meisje dat me een soepstengel verkocht voor 20 cent. Daarna kwam de volwassen handel. Van een laatdunkende mevrouw kocht ik het verzameld proza van Jotie t' Hooft voor 1 euro.
Daarna begon het. Laat u wegen. Slechts 50 (doorgestreept) 20 cent. Ik deed het omdat ik laatst bij m'n ziekenhuiscontrole zoals altijd wel gewogen werd maar vergat het gewicht te vragen. 'Hoeveel' vroeg ik de ernstige zesjarige met de paardenstaart. We kwamen op 81 kilo. Toch wat meer dan de 78 van de laatste jaren. Ernst en nauwkeurigheid. Een volwassen man meten.
Jongensernst op hoog niveau trof ik bij een pakweg 9-jarige schoenpoetser. Hij had zich verkleed als 'The kid' bij Chaplin. Een grote pet, singsinghemdje. Mijn schoenen zijn nooit zo secuur gepoest. Eerst met een tandenborstel ingevet, daarna op z'n Zuideuropees professioneel uitgewreven door een stuk katoen vlotweg heen en weer te trekken over het oppervlak. 'Hoeveel?' 50 cent. Ik maakte er een euro van.
Als kind had ik een diepe hekel aan alles wat 'voor kinderen' was. Kinderboeken incluis. Maar dit was menens.
Daarna zag ik het Wilhelm Tell-spel. Een nurks jongetje met een duikbril op balanceerde een appel op z'n hoofd. Een net wat jonger meisje beschoot hem met een kleine kruisboog en plastic gepunte pijlen. Drie keer voor een euro. Verdomd, ze raakte de appel en Wilhelm Tell droop af. Tot slot liet ik me een pannenkoek bakken, op voorwaarde dat hij in de lucht gegooid zou worden. Dat gebeurde feilloos. Een euro. Niet kinderachtig zo'n vrijmarkt.