Etalage

 Het was al donker. Dit is het seizoen. We gingen etalages kijken. In 'de stad' Den Haag. Waar etaleurs in deze dagen met elkaar concurreerden Opeens stond hij rechtop in de heilige ruimte. Een kleine kaalhoofdige man met een pullover aan, op vilten slof­fen, midden in de etalage. Met een rolcen­timeter in z'n ene hand, een doosje punaises in de andere. Hij legde de spul­len neer op de met fluweel beklede bodem en bleef staan, hand onder de kin, diep in gedachten.

 Dat zich op de stoep voor het winkelraam een kleine menigte verzamelde leek hij niet te merken. 'De etaleur,' zei mijn moeder vol ontzag. Twee straten verder staat in een etalage nog dezel­fde pop maar ze is haar jurk kwijt. De etaleur heeft haar uit decentie tijdelijk een laken omgedrapeerd. Een etal­eur is een artiest die werkt met open doek. Op slof­fen op een vilten vloer­tje, terwijl het publiek langs de etalage dren­telt. In deze dagen werd de wereld een etalage.

 Buiten mij volgden enkele winkelende dames hoe hij een fantastische huiskamer inrichtte waar alles te koop was en zijn schijnwer­pers richtte op een achtergrond met Alpen. Het woord was 'mode­rn'. Kleren, lampen, meubels, vloeren, kachels, alles verande­rde vliegensvlug.

 De wereld werd een etalage. Met open mond stond ik ‑ de neus tegen het glas gedrukt ‑ te kijken hoe de etaleur van de Bijenkorf over zijn vilten podium rondliep, op sloffen die ook al van vilt waren. Isaac Israëls zag het al.