In 1944 belandde Hans Fallada in de gevangenis, na een uit de hand gelopen echtelijke ruzie. Als Nazi-tegenstander brak hem dat lelijk op. Maar hij ging in de cel door met wat hij altijd deed: schrijven.
Fallada was behalve alcoholist ook schrijfjunk. In een soort minuscuul geheimschrift, deels in code, waarbij hij eerst van bovenaf een vel vulde, en dan ondersteboven de tussenruimte en alle wit dat over was. Met een loupe is dit dagboek later leesbaar gemaakt. Hij was bestempeld als een 'voor de gemeenschap gevaarlijke geesteszieke' als meer schrijvers onder het Derde Rijk. Maar gek genoeg, schrijven mag hij overdag:
'Ze bewonderen mijn kleine handschrift, mijn enige bescherming tegen nieuwsgierige snuffelaars. Ik weet dat elke brief, elke regel, die hier geschreven wordt eerst door de officier van justitie moet worden gecensureerd voor hij naar buiten gaat.'
Hoe zijn manuscript naar buiten te smokkelen? Of moet hij het door de WC spoelen? Er staat veel lelijks over Hitler en de Nazi's in. Maar schrijven is hem een innerlijke dwang.
'Al deze gedachten plagen me dag en nacht, ze laten me mijn eigen lot in dit dodenhuis vergeten: alleen wanneer ik boven deze aantekeningen zit laten deze kwellende gedachten me los.
Straks komt onze watersoep met een paar koolbladeren en dan moeten we om half acht naar bed, in de nauwe cel, die ik met een schizofrene moordenaar, een zwakzinnige en een gecastreerde lustmoordenaar deel. Deze drie kameraden slapen uitstekend, ik minder. Ik heb een lange nacht voor me, om over mijn uiteenlopende problemen na te denken. Of ik morgen wel verder schrijf? Ik ben waanzinnig als ik het doe.'
Hij deed het en smokkelde het naar buiten. Ernst en slapstick door elkaar.
ps. Of er vertaalplannen voor het 'Gevangenisdagboek 1944' bestaan weet ik niet.