Lezend in de bundel 'Zoveel nabijheid' van Frans Budé dacht ik aan de marconist op de grote vaart die me uitlegde hoe dat gaat: 'Soms zie je wat hijskranen in de mist opdoemen en dan zeggen ze aan boord: "Daar komt een dorp voorbij." Je moet weten, het schip ligt stil, en de wereld komt voorbij.' In de afdeling 'Overgang en ontwrichting' gaat het bij Budé over die zelfde dingen. Wat beweegt? Wat staat stil? Dit heet 'Overgang':
'De avond komt met de verte mee, hinkelt even, legt
zich breeduit neer. Niets is hem vreemd als hij langs
het lover strijkt, muren lijkt weg te vagen, gedaantes
van in schemer gehulde wandelaars. Zij beklimmen
de laatste heuvel vandaag, klemmen zich vast aan
hun stok als omarmen zij een pas ontdekte minnaar
Onverstoorbaar gaat het wegdek hen vooruit, bocht
na bocht. Een vlier langs de kant, zwart en zoet, ploft
in eigen zwaarte neer. Totdat in de vroege ochtend
een zachte bries komt opdagen, opwaartse stroom wordt,
overal vandaan, warm, wakkerend - als aanloop tot.’