Düsseldorf, een zomeravond, pantoffelparade langs de Rijnoever, waar een soort amfitheater is aangelegd voor de voorstelling die de rivier tegen zonsondergang biedt: Nederlandse aken, de Lineke uit Werkendam vaart vlak onder het podium door..
Ik soes na over de meesterlijke tentoonstelling die ik hier zag. Het venster in de kunst sinds Matisse en Duchamp. Het kolkt na. Bij da Vinci is het oog het venster van de ziel. De gebroeders Grimm zien het venster als het oog van een huis, en het oog als venster van het lijf. Waarbij steeds de vraag blijft wie er kijkt, en of ie naar binnen kijkt of naar buiten.
Het duizelt me. Marcel Duchamp kreeg er ook genoeg van. Hij timmerde ‘Franse’ openslaande glazen deuren, maar beplakte het glas met glimmend leer, zodat je hooguit jezelf erin vaag weerspiegeld zag. Al bedong hij dat het leer dagelijks gepoetst zou worden. En hij verhaspelde French Windows. Weg oog, weg ziel.
Weg kunst in een raampje. Maar daarmee was de kous niet af. Verbazend hoe mensen als Olafur Eliason (bewegende kaders), Magritte (peilloze grappen) of Isa Genzken (betonnen ramen) zich uit het dilemma venster-schilderij (of beeldhouwwerk) redden. Het venster.
En ik ging de straat op. Er werd gebouwd. Een oude gevel was tijdens de restauratie behangen met een enorm doek vol gefotografeerde ramen. Gescheurd, ook dat. Dat moest meteen het museum in, vond ik. Ramen, er is geen ontkomen aan.