Bestaat er een Friese schilderkunst? Een Friese identiteit? Het lijkt me een schijnprobleem. Als genoeg mensen er zo over denken is het zo.
Thom Mercuur, stichter van Museum Belvedère denkt er zeker zo over. Voor hem is Friesland zo groot als de zeventien provinciën, discussie gesloten. De vraag wat het waard is mag ieder voor zich beantwoorden.
Vanmiddag zag ik in Belvedère de schilderijen van Willem van Althuis, een ontdekking van Thom. Maar voor mij deed het er werkelijk niets toe of ze in de Po-vlakte gemaakt waren of in Dronrijp. Hardnekkige mist komt in waterijke gebieden veel voor, dat staat vast, en is voor schilders vaak bruikbaar. Het oogt goed en suggereert veel.
Willem van Althuis (1926‑2005) begon laat. Een stratenmaker uit Dronrijp, die na reizen door Amerika tenslotte in Heerenveen belandde en daar schilderles nam. Wat hij maakt ligt op de grens van iets en niets. Dat sprak ook K. Schippers aan, die in 1975 een documentaire over hem maakte waarin Althuis weinig zei.
Mistig kan net zo goed spannend en suggestief zijn als vaag en uitdrukkingloos. Dat laatste overheerst bij Willem van Althuis. Hoe hard hij soms ook probeert Mark Rothko-effecten te bereiken, zijn mist verhult dat hij niet veel te zeggen heeft en meer een poetser is dan een schilder.