Gerda Blees

 Ze leven aan de rand. Dat is wat je van de personages in de gedichten van Gerda Blees in 'Dwaallichten' kunt zeggen. Of ze het redden blijft de vraag. Is er een uitweg? De zee is niet ver. Zijn we hier in een inrichting? Dit heet 'Naar zee':

 'Marie-Therèse draagt haar haren grijs/ haar trui versierd met kleine stukjes brood/ en ei, haar kin geheven en haar pen stevig tussen/ haar twee blauwe vingertoppen want er moeten nog/ behoorlijk wat bezwaarschriften geschreven.

 Nadat ze haar grote liefde aan een open raam verloor/ gingen haar zussen en de burgemeester ervandoor met/ al zijn staande lampen en antieke klokken plus de sleutels/ van zijn kelder­box en er was tot nog toe niemand die/ de sluitende bewijzen heeft gelezen en begrepen.

 Aan de andere kant van de waan kijkt Marie-Therèse/ met haar laserogen door je heen. Heb je genoeg gegeten/ ben je nog op je gemak met al die gekke mensen want je bent/ natuurlijk wel een iets te lieve schat en nee het geeft niet dat je bloost/ van alle vreemde blikken rond je hoofd maar als je er genoeg van hebt/ dan gaan we toch gewoon, zijn auto moet nog wel op de parkeerplaats staan/ dan gaan we gewoon naar zee.'