Gett, echtscheiding op z'n orthodox

 Twelve Angry Men van Sydney Lumet was de eerste rechtbankfilm die ik zag. Daar waren het gewone Amerikanen die tot uitputtens toe, dagenlang moesten overleggen over een schuldvraag. In Gett, het Israëlisch echtscheidingsdrama dat ik ademloos volgde, gaat het ook om tijd, het proces duurt vijf jaar.

 En dan nog slaagt de religieuze rechtbank er niet in de almachtige echtgenoot te overtuigen zijn vrouw vrij te laten. Geen jury hier. De religieus‑fundamentalistische huwelijkswet, daar draait het om. Steeds het zelfde, kale zaaltje. Steeds de zelfde liegende, draaiende gelovigen.

 Wat is een vrouw voor de Joodse wet? Niet meer dan een  productiemiddel om kinderen te maken en het gezin te runnen. Huwelijken zijn alleen heel soms ontbindbaar, niet omdat een vrouw ergens recht op heeft, maar omdat ze geen nut meer heeft. Zulks te bepalen door de echtgenoot, die dan luidop voor de rechters moet verklaren dat ze nu vrij is om te gaan met welke andere man dan ook. Maar deze echtgenoot verdomt dat.

 In het Oude Testament gingen weduwen geruisloos over naar een broer. Zo wordt her en der ter wereld nog over vrouwen beschikt. Bij ons in uithoeken nog maar kortgeleden ook.

 Wat Gett, The Divorce Trial of Viviane Am­salem zo gruwelijk maakt zijn de vanzelfsprekende gezichten waarmee mannen, rechters, getuigen, buren, familie - ook de vrouw zelf - gevangenen zijn van dit zieke bewind met z'n driedubbele moraal. Noem het geloof. Alles tussen de witte muren en metalen tafels van een piepklein rechtszaaltje.

 Toch, er ontluikt iets in Viviane, na jaren, opeens heeft ze onder de tafel gelakte teennagels, later draagt ze zelfs een rode trui en een gekleurd rokje. Er is kleur. En de rechter maant Viviane van haar haar - ze heeft het gewassen en verschikt het - af te blijven. Het zaaltje beeft. Want iedereen ziet meteen, dit loopt verkeerd af.