God

 Op een zonnige zondag zag ik in de Haagse Speenkruidstraat mijn eerste neger. Hij droeg een keurig pak en deed denken aan de Congolese minister-president Loemoemba, die niet alleen zwart was maar - o wonder - ook een bril droeg.

 Ik vertelde het thuis en kreeg te horen dat het 'iemand van de ambassade' geweest moest zijn. Zelden heb ik mijn vader zo verkrampt zien reager­en als op de eerste zwarte meneer die bij ons thuis kwam. Hij sprak Engels, mijn vader nauwelijks. Achteraf werd steeds maar vastgesteld dat hij een keurige man was. Wat er nu aan de hand was met zwarte mensen heb ik niet begrepen. Net zo min als ik begreep wat er grappig was aan de zich als een idioot aanstellende Zwarte Piet.

 Sinterklaas daarentegen was me ernst. Mijn Sinterklaas zag en hoorde alles. Hij ging als een geest door muren en deuren. Hij stond achter je met zijn ruisend gewaad, maar als je je omkeerde was hij er niet. Zijn onzichtbare hand wierp pepernoten, die over de vloer ratelden als stenen.

 Je voor hem verstoppen was onmogelijk, foutloos gedrag onhaalbaar. Zou hij mij straffen? Zijn hele aanwezigheid was al een vorm van straf, die hoorde bij winterse kou, vreemde huiskamers vol hysterische kinderen en kleumen bij optochten. 'Hoor de wind waait door de bomen, hier in huis zelfs waait de wind.' Nog haat ik kinderkoren. Ik had als 4‑jarige wel een Bond tegen het Vloeken willen oprichten. Tegen de blasfemie van oudere jongens, die krijsten: 'Sinterklaas is jarig, zet hem op de pot'.

 Alleen al het aanhoren maakte je medeschuldig. De Bijbelse God, die mij later werd voorgehouden heb ik nooit ernstig kunnen nemen.