God

 Het geloof in god neemt zienderogen af. Tenminste bij ons. Overal elders ter wereld bloeit het, zegt de krant. Midden in de Mattheustijd.

 Van het ergens bij horen blijft alleen het muziekje. Is dat erg? Of beter, was het ooit anders? Sinds bleek dat ik er werkelijk geen aanleg voor had vroeg ik me af wie wel?

 Of al die vrome bisschoppen en kardinalen die je zag ooit werkelijk geloo­fd hebben in de bijbelse god? Wat schuilt er in een zondags pak? Het wordt ze nooit gevraagd.

 Mijn zondagscholen en jeugdkerken zijn intussen gesloten.

 Het viltbord met de oase en de kamelen zal me heugen. En Jezus, die van achter zo versleten was dat ie halverwege het verhaal steeds op de grond viel en moest worden teruggeplakt.

 Terwijl mijn ouders uitsliepen.

 En de rest van de wereld dan? Die zijn denk ik beter in doen alsof. Komen bij het opdragen van de mis net even achterin de kerk staan en dan vlug terug naar het café.

 't Blijft een goed verhaal van verraad, menselijk, al te menselijk. Van die jongen die zich in z'n hoofd heeft gehaald dat hij Gods zoon is. Maar ik denk, als hij werkelijk gods zoon was had hij er goed aan gedaan dat aan niemand te verklappen. Wat aardige dingen te doen en in stilte te sterven. Met achterlating van niets dan een gerucht.