Griep

 Wanneer de griep het huis betrad werd alles enkele graden warmer. Er kwam een geur.  Ik zweette bij vlagen, dan weer had ik het rillerig koud. De hand op het voorhoofd deed zijn intree. Er was een glazen ther­mometer die kon breken.

 En daarmee het probleem van waar. Tante Addy meende dat niets ging boven in het achterwerk. Angstogen bij de kinderen. Het eindigde met onder de oksel of de tong.

 Eerst het 'afslaan'. In diepe ernst. De vraag bij dit alles was en bleef 'is het nu werkelijk griep of een gewone verkoudheid? 'En hoe de twee te onderscheiden.

 Een antwoord heb ik nooit gehoord.

 En zo werd ik in bed gestopt. Werkelijke koorts bracht dromen, doorzweet. ijskoud  bed­degoed. En moederwoorden: verhoging, het trekt bij, onder de wol, stevig instoppen. Maar de verhitte koortsen en visioenen van vroeger waar ik op gehoopt had bleven uit: 'Ou sont les fièvres d'antan?'

 Nu ben ik al dagen geveld. Heb 'ermee doorgelopen', anderen besmet wieweet. En de gebeden komen. Een dag koorts­vrij in bed.'

 Iets beter nu. De televisie vertoont vluchtelingen en Ame­rikaa­nse politici. Mijn moeder neemt m'n voorhoofd af met 'n wash­and­je.