Een boek dat van voren naar achter geschreven is, begint bij hoofdstuk 50 en eindigt met hoofdstuk 0. Voor mij heel aantrekkelijk. Vaak lees ik al zo. Per alinea. Per zin.
Zo begon het ook nu, in de boekwinkel. 'Het was moeilijk voor een bejaarde vrouw om iets te verbranden. Het kon niet binnen, zeker niet in de ambiance van haar laatste luxe slaapplaats. Ze had te lang gewacht en nu moest ze het risico dragen.' Om te weten hoe dit verder gaat, moet ik verder of terug? Ik koop het boek.
Verder: 'Ze liep naar het park met het manuscript in haar schoudertas en een aansteker zo oud dat hij illegaal was geworden.'
Verder of terug. Maar als verder nu het zelfde is geworden als terug? Verder dan, met Peek mee, tegen de dwang van het lineair tijdsverloop in. Losgezongen woorden en regels. Die hun eigen weg wel vinden. Willem Brakman zou het er zeer mee eens zijn. Ik denk aan wat hij me eens zei: 'Als je niet weet hoe je verder moet, moet je terug.'
Een oude dame wil een manuscript verbranden. De zelfde die aan het begin, dat ik nu gelezen heb, begraven moet worden. Hoe schrijf je een begin dat een einde is? Verklap ik een afloop?
Het begin is een slothoofdstuk, met veel open einden. Een begrafenis. Er wordt een brief aan een dode voorgelezen door een jonge begrafenisbediende. De briefschrijver, haar geliefde, is er niet. Dan gebeuren er vreemde dingen. Men wordt dronken, aanhalig. Met de kist rijdt het vrolijke gezelschap de stad in. 'Het werd later, maar niets doofde, de oplichtende stad was steeds dichterbij gekomen. Ze liepen langs de weg, langs de laatste velden en de vaart en de eerste huizen toen ze door voorbijgangers en een toevallige agent werden tegengehouden. Maar hun dode had de maan nog eenmaal gezien, de mensen op straat gehoord.'
Dan begint het boek Godin, held. Peeks vierde roman. Een liefdesgeschiedenis.