Een Haagse verhaal. Zonder pointe of clou, zoals de meeste. Mijn twee schoolvrienden en ik wilden leren biljarten. Zo kwam professor Soliën in ons leven.
Hij sprak Franse zinnen, als: 'Toujours la pommerance contre la bille.' En deed ons voor hoe je de keu correct vasthield, doceerde de functies van het vooreind en achtereind, het krijten en het overhouden.
Ik was in de ban van het spel geraakt door de biljartverslagen op de radio, waarbij de commentator fluisterde, behalve als applaus opklonk en hij heel even de stem kon verheffen. Een diepe, gewijde ernst. Woorden als 'ankerkader 47/2', de geheimen van het driebanden. En de naam van wereldkampioen Raymond Ceulemans, naar wiens zalencomplex in Mechelen ik pelgrimages ondernam. Het cafe is er nog, er zijn glas in lood-ramen met de letter R, maar de zalen zijn donker.
Elke zondagochtend omstreeks twaalf uur gaf prof. Soliën ons onderricht in 'de bestuurskamer', aan de Haagse Herengracht, hoog boven de bioscoop Odeon en de biljartzalen. Er hing een hertengewei boven een grote schouw. Het uitzicht over de daken van den Haag was imposant.
Het stond op zijn visitekaartje: Prof. Soliën, billard-instructeur, zonder initialen. Er werd verteld dat hij verbonden was aan de societeit De Witte, wat ik betwijfelde. Prof. Soliën was altijd dronken. Op zondagochtend hield hij zich in evenwicht aan de rand van het biljart, tussenbeide kunststoten demonstrerend, zoals die met drie ballen op rij langs de band.
Om een uur verlieten we het marmeren gebouw om een potje te gaan spelen. Niet dat we beter leerden biljarten, we wisten nu hoe erbij te praten.