Hans Faverey (1933-1990), de dichter, de verdwijnkunstenaar. Zo zie je hem, zo zie je hem niet. Nu weer in dit boek van Jan Oegema.
Ik dacht aan het eerste gedicht van mijn leven. Dat mij overkwam in de Zutphense straat waar een ouder jongetje tegen me zei 'Je verliest wat.' Waarna ik om me heen keek op de stoep maar niks zag. En hij schaterend om mijn verbouwereerdheid riep: 'Je voetstap.'
De gedachte aan verloren voetstap heeft me tot vandaag niet meer verlaten. Ook steek ik geen treinrails over, omdat de trein die zoeven nog onder razende windvlagen wegdenderde in de tijd, er eigenlijk nog is. Zo kom ik bij Hans Faverey en het essay van Jan Oegema dat bruutweg heet 'Hans Faverey en de liefde'.
Faverey heeft liefdesgedichten gemaakt, maar niet veel. Het lijkt een onmogelijkheid. Hoe kan deze dichter iemand ontmoeten. Tezelfdertijd, tezelfderplaats. Hoe krijgt de ander een plaats in zijn hermetische verschansing?
Wat Oegema laat zien is hoe het bloed kruipt waar het niet gaan kan. En hoe de dichter zich daardoor juist overtreft.
In zijn woorden op het omslag: 'Liefde wordt meer en meer een gevaar voor hem, ze kan vormen aannemen die deze vormbewuste dichter doen duizelen, eenvoudig omdat ze hem de controle ontneemt en een gebied binnentrekt waar hij het niet meer alleen voor het zeggen heeft'.
Wat volgt is het verslag van een capitulatie. Die menig zelfverschanser zal herkennen. En regels, als deze:
Zodra een tafel zich niet langer
innig liefheeft, bezwijkt hij
onder de last van een krant,
een brief of van zelfs éen
enkele roos. (...)