Het laatste woordje

 Het eerste dat me werd ingeprent was luisteren als mijn grootvader, de ouderling, voorlas uit de familiebijbel - het boek met het roodfluwelen jasje waar ook mijn naam in stond - voor het eten. Ingespannen keek ik naar de kristallen messenleggers op het tafelkleed.

 Het ging niet om luisteren maar om het onthouden van het laatste Bijbelwoord dat hij uitsprak voor er gegeten kon worden. Meestal was dat iets als 'gekomen zijn'. Wist ik dat te herhalen, dan bewees het dat ik goed had opgelet.

 De Bijbel bestaat voor mij nog steeds uit 'gekomen zijn'.

 De maaltijd werd besloten met het rituele toetje en dat was chocoladepudding. Gegoten in de vorm van een vis en oneetbaar. Omdat oma er veel te veel cacao in deed, waardoor het oneetbaar bitter werd. Mijn moeder durfde daar niets van te zeggen. Ze was bang voor haar schoonmoeder.

 En dus eindigde iedere zondagsmaaltijd met oneetbare chocoladepudding omdat ik 'het zo lekker vond'. En daarna met het Onze Vader. 'Uw koninkrijk kome.'