Fotografie is een religieuze praktijk. De fotograaf, de priester in de ceremonie, slaat een brug naar de onsterfelijkheid. Wij, de gefotografeerden bedenken hoe wij voor Gods oog, dat van de camera willen verschijnen. Zijn wij gezien? Zijn wij niet onopgemerkt gebleven?
In Foam is het werk van de Albanese fotografendynastie Marubi (1856-1959) te zien. Ze fotografeerden klanten vanaf het Ottomaanse rijk tot in de communistische tijd. Christenen, moslims, ongelovigen, militairen, nonnen, actrices, schoolklassen. Die een ding gemeen hadden: ze wilden op de foto.
Een ernstige zaak, dat lees je aan de gezichten van wie voor het oog van de camera van de Marubi's, van Italiaanse komaf, verschenen.
Het deed me denken aan de onvergetelijke film Starmaker van Giuseppe Tornatore over de op Sicilië rondreizende cameraman met een lege camera die iedereen roem in Rome voorspiegelt.
De fotografie en in z'n voetspoor de film heeft de wereld veranderd. Een zelfbeeld had je voortaan. Dat je zelf kon zien inplaats van het te moeten opmaken uit bijval, of onbetrouwbare spiegels.
Of de wereld beter is geworden van de camera? Het weten dat je bestaat en hoe?
De Marubi's regisseerden. Begrepen het belang van hun opdracht. Zorgen voor een plaatsje op de schoorsteenmantel van God.
Ik kijk mijn ogen uit. Naar de wereld tussen zijn en voorgoed verdwijnen die foto heet. De gefotografeerden kijken mij op hun beurt aan vanuit dat voorgeborchte.
Ook Zog, die zichzelf tot koning kroonde, en regeerde van 1928 tot de Italianen kwamen, en die naar het schijnt een incestueuze relatie had met zuster Xenia. Ze zijn samen vastgelegd.