Het wachten bij Pieter de Hooch

 Wat eerst? Dat is de vraag die je je stelt bij het werk van Pieter de Hooch (1629-ca.1679), nu te zien in Delft en bij lezing van het nieuwe Kunstschrift dat aan hem gewijd is.

 Er is een interieur, met tegelvloeren, er hangen gordijnen, een cape aan een haak. Een deur of raam naar buiten staat half open. De lichtval zegt het is middag.

 En dan? Meestal verschijnen in dit doodkalme interieur een vrouw, die verstel­werk doet of huishoudelijk bezig is, haar lieftal­lige dochtertje en een hond. Geen man. Op hem wordt kennelijk geduldig gewacht. Heel de voorstel­ling, het interieur, de lichtval, ademt dit wachten. Het is een huis om thuis te komen.

 Het is de diepte van de ruimten die het hem doet. Je kunt die huizen in.

 De werkwijze is bekend. De Hooch begon met het huis, pas als de voorstelling bijna klaar was schilderde hij de figuren erin.

 Natuurlijk komen op zijn doeken ook mannen voor. Maar die zijn van voorbijgaande aard, meestal op bezoek of ze komen iets brengen.