Hilversum

 Toen ik pas het Hilversumse grint betrad moest ik veel leren. Ik werkte in de villa's van de omroepen. Kwam met mijn op­namebandjes aan en moest daar samen met de technicus van dienst op mijn instructies iets begrijpelijks uit maken. Peter Flik, chef jeugdprogramma's, leerde me alles.

 Technici werkten afwisselend voor alle omroepen en kenden de meeste radiomakers, al werden ze op de duur in groepen in­gedeeld, die ofwel voor de AVRO ofwel voor de VARA werkten, in steeds andere studio's. Mijn eerste technicus was Nol Gobits, die bij het beluisteren van mijn ruwe materiaal over de jeugd van tegenwoordig zei: 'En dat wil je gaan uit­zenden?' Nu hadden collega's me tevoren gezegd 'Nol Gobits. Geen vragen stellen. Jij bent de baas.'

 Een keer was me een vraag over de Telefunken M5 ontsnapt. Het kwam me op een exposé van een uur te staan. Weg montagetijd.

 Vaak droom ik nog van technici. Van wie je met sommigen bev­riend raakte. Immers, zat je in een ingewikkeld probleem met je onderwerp dan was er niemand anders dan de man met wie je lange dagen tussen de apparatuur zat, die 's zomers aardig warm werd.

 'Wordt dit te lang zo Tom?'

 'Hier dan maar een muziekbreak doen, Bert?'

 Ze wisten en begrepen alles. Je kon ze in vertrouwen nemen als je iets wilde uitzenden als twee uur stilte. Tom regelde dat.

 In mijn dromen tobde ik over wat er miste in mijn reportages. Wat er nog bij moest of wegkon. En dan was er altijd de tech­nicus, een volwassen man bij wie je te rade kon gaan. Over alles.

 'Kan wel weg, dit hoor.'