Bij Chinese of Japanse films kijk ik allereerst maar de vorm van de ramen. Horizontale ramen. Gevat in houten raamlijsten, vaak met schuifdeuren. Onze ramen hebben afmetingen als van een staande mens, zoniet de hunne. Men heeft daar met de vloer een heel andere verstandhouding. Voor je een huis betreedt doe je je schoenen uit. De vloer is smetteloos. De plafonds zijn laag. Men zit ook niet zozeer, men hurkt of gebruikt de kleermakerszit. Dan ziet de wereld er anders uit. Zo trof me in het China nummer van Tijdschrift Terras dit gedicht van Yu Xiang. 'Ramen', vertaald door Jan de Meyer.
'de ramen waar ik aan denk zijn prachtig
omdat ze voorbijgaande taferelen omlijsten
van binnenaf bekeken is dat altijd het geval
ik weet niet hoe de mensen het buiten waarnemen
en ik wil het ook niet weten
mijn mama's raam is op de negentiende verdieping
telkens wanneer ik het zie
denk ik: naar buiten stormen
mijn eigen raam is op de begane grond
het omlijst toevallige voorbijgangers
en iemand die opzettelijk hiernaartoe komt
mijn werkruimte is in het souterrain
het raam is een opening helemaal bovenaan
in een smalle kleine rechthoek
ik moet omhoog kijken
om rioolwater te kunnen zien, en aarzeling, en verlies'
Yu Xiang (1970) debuteerde in 2006 met de bundel Haqi (Uitademen). Zelf vindt ze haar leven weinig interessant, maar precies daarin schuilt volgens haar een poëtische dimensie.