In de film Ida van de Pool Pawel Pawlikowski is de rol van de grafiek doorslaggevend. Hoe dat kan? De camerablik zoekt houvast in stille zwartwit beelden, pijnlijk mooi. En vindt vitrage, modern meubilair uit de vroege jaren '60, een halfleeg danszaaltje, een jazzbandje.
Het verleden draag je met je mee, onoplosbaar. En onoplosbaarheden zijn in Polen ondraaglijker dan op veel andere plaatsen.
Hoe bezweer je ze? Ida en haar tante Wanda - de non en de hoer - zoeken houvast in het klooster en het rode bewind, waarna drank. Maar Joods zijn ze allebei, al komt Ida daar pas achter als ze de tante ontmoet die haar nooit wilde zien. Houvast. Ze gaan op zoek naar het gebeente van hun verdwenen familie.
Ze vinden het. Ze vinden zelfs het Joodse familiegraf terug. Maar dan? Wat kun je meer? Oplossingen zijn hier niet. Zodat je overblijft met heel precies in beeld gebrachte brokkelige wegen, een gedeukte auto, idem muren en hekken. En vitrage. Om naar te staren. Het soort zwartwit dat onthult wat je in kleur niet meer ziet.