Het is 1910, mijn grootvader las als jongen gebonden boeken als 'De twee neven' van C.Joh. Kievit, Ik las het hem vijftig jaar later na. Een boek bevatte toen behalve het omslag sierlijke schutbladen en daarna begon het pas, met een illustratie op glanspapier, een titelblad en dan hoofdstuk 1.
In De twee neven, geïllustreerd door Joh. Braakensiek (1910) is de eerste subtitel 'Een heerlijke middag en een treurige avond.' Hoofdfiguur Arnold gaat 's ochtends met zijn vrienden zwemmen in de plas, maar bij thuiskomst blijkt zijn ouderlijk huis afgebrand, en zijn beide ouders dood.
Hoe kom ik bij de neven?
Het nieuwe, monumentale naslagwerk De verbeelders van Saskia de Bodt cs. over meer dan 100 jaar illustraties in (kinder)boeken joeg me naar zolder, waar nog een paar kinderboeken van mijn grootvader liggen.
Die boeken bevatten maar een paar illustratiebladen op glanspapier. Aan elke tekening - vaak litho's - was een onderschrift toegevoegd dat verwees naar een paginanummer en een - vaak dramatische of komische - passage in de tekst. Zodat ik als lezer meteen ging bladeren naar de regel 'Met trillende hand naar den heer Burding wijzende, riep hij met heesche stem "Laat hem vrij. Hij- - is onschuldig. Ik ben de dief.' (bladz. 227)
En ja, op die pagina krijgt de slechte van de twee neven berouw. En held Arnold gaat vrijuit.
Een verloren gegane vondst toch, om uit een roman vijf sleutelpassages te lichten en die in beeld te brengen. Meteen begon ik in gedachten dit procedé toe te passen op boeken van nu. Roxy van Esther Gerritsen (bladz. 128): "'Sorry, hoor.' zegt Feike, 'het is echt een griezel.' 'Hij ziet er alleen maar griezelig uit.' 'Hij ziet er alleen maar griezelig uit, hij praat griezelig, hij doet griezelig en hij neukt griezelig. Wat is er dan precies niet griezelig aan hem?'" (bladz. 128)
Nu zie ik de niet-griezelige griezel.