‘Maar ik had het nooit willen missen,’ zei mijn vader die ene keer dat ik hem mocht ondervragen over de politionele actie (1946-1948). Hij was erbij.
De herdenking, de executiefoto, het interview met Westerling, Indië houdt niet op. Wat mij het meest treft in het verschil tussen toen en nu is het zwijgen. Ik vroeg mijn vader in 1970 naar de militairen en de meisjes daarginds.
'Dat gaan we nu eens heel voorzichtig zeggen,' zei hij. 'Daar had je je oplossingen voor.‘ En hij vertelde van de doorsneemilitairen, waar je veel ‘kamponggangers’ onder had. Zijn oplossing was sjieker, een verpleegster, wist ik, maar over haar repte hij met geen woord. Vertelde wel veel over kameraden die hij in de lucht had zien vliegen bij het patrouilleren over de dijkjes.
‘Bamboemijnen, die vond zo’n metaaldetector niet.’ Na een jaar kwam hij bij de Educatieve Dienst O & O. En wat er bij ons thuis van overbleef was een kist vol specerijen, sigarettenblikjes vol nootmuskaat en foelie. In 1960 waren ze nog niet op. Foto’s? Vreemd, er zijn van hem geen Indië-foto’s overgebleven. Wel sterke verhalen. Over de boerenjongens die nooit hun dorp uit waren geweest en die eerst schoongespoten werden voor ze op troepenschepen mochten als de Kota Baroe met z’n britsen langs de scheepswand, negenhoog.
‘Die werden voor het eerst in hun leven gewassen. En dan lag de schaamstreek helemaal open. Korsten, jongen.’