In Den Haag groeide je op tussen de Indische mensen. De buren aan beide kanten, klasgenootjes als René Pasanea en onderwijzers als meneer Von Banniseth. Veel Indische mensen hadden Duitse namen, Duitsland had immers geen koloniën. Bij het jaarlijkse collecteren kwam ik bij ze binnen. Je belde en de deur ging op een kier open: 'Kom gauw binnen, zo koud buiten.' En dan het glaasje groene stroop en het stukje spekkoek.
Indische mensen waren modern, ze hadden als eersten televisie. Ik mocht bij ze naar het voetbal op tv komen kijken. De meisjes hadden als eersten petticoats, de vader van mijn buurjongen speelde weemoedig op een elektrisch versterkte gitaar, die hij in z'n radiotoestel plugde. Een betoverend geluid.
Onvergetelijk was de verjaardags ontvangst in een piepklein huisje in de Zuiderparkbuurt. Het was er vol Indische mevrouwen die met z'n allen aan het koken waren. Ik ging me stuk voor stuk aan ze voorstellen zoals me geleerd was.
'Wim Noordhoek.'
'Mevrouw Latupeirissa.'
Maar de volgende was ook een mevrouw Latupeirissa, en de daar op volgende ook. Heel het piepkleine huisje was vol met mevrouwen Latupeirissa, zodat ze na de vierde collectief in daverend gelach uitbarstten.
Tante Nel leerde mij de Tjin Tsjang Babi - zoals een varken piano speelt - waarbij het kind dat nog niks kan alleen de zwarte toetsen in volgorde hoefde aan te slaan en zij er van alles omheen speelde. Zodat het net leek of je kon pianospelen.