Industriële ruïnes

 Wat bleef er van over? Van de enorme fabriekshallen, de machineparken. De mensen die er werkten? Hun verhalen. De Engelsman Tim Edensor schreef 'Industrial ruins'.

 En ik dacht aan Peter de Moes, de radiotechnicus die bij de Hoogovens had gewerkt. Daar kwam op een dag een nieuwe collega  die het hoog in z'n bol had. Hij kwam op een splinternieuwe racefiets. Nou, je begrijpt. Om zes uur pakte iedereen z'n fiets, maar hij kon de zijne nergens vinden. Na lang zoeken wezen de collega's hem naar de metalen spanten boven z'n hoofd. En daar zag ie z'n racefiets, vastgelast aan een spant. 'Nee, kapsones moest je daar niet hebben.' 

Edensor maakt mee wat ik in Essen en Saarbrücken ook meemaakte: de ijzige stilte waar eens de ritmische kolereherrie was waar de vader van Gerard Reve in de Twentse textiel zo doof van was geworden. De stank van verbrande olie, het naar mekaar schreeuwen. Verdwenen.

Edensor schrijft over de fantomen, de geesten van de ruïnes in die lege hallen. De resten van het volle bedrijf, een kapotte prikklok, een overall, een rubber laars.

Je kunt ruïnes restaureren, maar tot leven wekken zal niet lukken. Ze zijn dood. Wat vind je nog? Edensor vond een reclamekalender van zijn fabriek met mooie meiden die nog ergens vergeten hing.

Historici zijn weer bezig met de zg 'canon' van onze geschiedenis. Kan dit er nog bij?