De roman Mensen zonder uitstraling, het debuut van Jente Posthuma heet niet voor niets zo. De figuren, het meisje, haar stervende moeder, haar vader die psychiater is, ontkomen niet aan de loop der dingen. En zijzelf? Wordt ze nog iemand?
De vader probeert te ontkomen door bijvoorbeeld bij z'n afscheid met Frank Sinatra 'My way' te zingen. De moeder was een mislukte actrice. Het meisje ziet dat ontsnappen vrijwel onmogelijk is. Het leven waarvoor ze bestemd is staat haar tegen, al neigt ze niet tot zelfmoord of drugsgebruik.
Haar uitweg lijkt schrijven. Dat is wat je leest.
En daarin houdt ze heel precies bij wat ze in haar omgeving en bij zichzelf waarneemt. Het beschrijven van mensen 'zonder uitstraling', die niet ontkomen. Die blijven hangen in een soort voorgeborchte tot ze sterven. En waarin alle wegen doodlopen. Zal ze nog een vriendje krijgen? Zeker, en een kind zelfs. Maar hoe gaat dat verder? Er blijft haar en de lezer niets bespaard.
Het boek zit ook vol lawaai. Dat begint met het smakkend eten van de vader. De onverdraaglijkheid van het leven, de omgeving uit zich in een geluidsneurose, hinder van de medemens, van heel de omgeving.
Het meisje vraagt zich steeds af of ze leuk genoeg is. Een hoofdstuk heet 'De beste jaren van mijn kont.'
Intelligentie - altijd eerst denken dat het aan jou ligt - is in zo'n leven een ernstige handicap.