Het merkwaardigste vakantiebaantje dat ik ooit had was bij Doornroosje. Zij was een rijke erfgename die zich verschool in een met onkruid overgroeide villa, in een grote verwilderde tuin bij Juan-les-Pins waar we onze tentjes mochten opzetten.
Doornroosje was bijna tachtig en lang geleden getrouwd geweest met de man die de villa had laten bouwen en kort daarna was gestorven. Waarna ze nooit meer het huis verlaten had, van verdriet.
Met drie vrienden moest ik de begroeiing van zeker veertig jaar kappen. Met het verroeste, nooit meer gebruikte gereedschap uit het tuinhuis. Het was onbegonnen werk. Wat we de zeisen en tuinscharen ook slepen, scherp werden ze niet.
Al werkend legden we wel een luxe vijver bloot, keramische siervazen, een prieel.
Doornroosje vertoonde zich niet. We zagen alleen haar bediende, een zwarte student in tuinbroek met een strohoed, die op een Solex haar boodschappen deed. Tot de laatste dag opeens de tuindeuren opengingen. Daar was ze, de erfgename van de Haarlemmer olie. Ze had een salade nicoise voor ons gemaakt, die ze opdiende. Daarna trok ze zich weer terug.