Kijkduin

 Hoewel ik er vlakbij woonde ging ik in de zomer zelden naar het strand van Kijkduin. Een oud kustdorp, al vele jaren geleden verwoest door gruwelijke nieuwbouw.

 De witgekalkte houten fietsenstalling die mijn grootvader de kapitein - invalide en gepensioneerd bij de Holland Amerika lijn - had gepacht, en waar de jongelui wegfietsten zonder te betalen. Het enige stenen hotel, ook wit, waar weinig meer van over was dan een ijsloket, en vooral de grijsblauwe klinkers van de oprit. Waarlangs de badgasten, door mijn broer 'gatbasten' genoemd, omhoog kwamen, met hun kinderen, hun ijzeren schepjes achter zich aan slepend.

 Dat is het geluid.

 En dan kwam de branding, het zicht op zee, en het hok van de Noord- en Zuidhol­landse reddingmaatschappij onderaan de houten trap en het leitje met in krijt 'temperatuur zeewater'. Vaak genoeg 13 graden.

 Op het strand sjokte de dikke man heen en weer die meestal een emmer met zure bommen meevoerde, roepend 'zoetzuur!' Maar in het weekend een tas met het weekblad Elsevier, dat hij rondriep als 'Elsevjee'.

 Hele zomers bleef ik thuis binnen, het gordijn van mijn mansarde toe.