Nasrallah de Afghaan stond helemaal achteraan in de rij toen God de landen uitdeelde. Er was geen land meer over. God zei dat het hem speet en gaf tenslotte zijn eigen tuintje aan de Afghaan. En we zien dat dit paradijs de plaats is waar de papavers groeien.
Een diepe ironie. Het paradijs als opiumdroom. Het land van de verlichten die in Gods tuin wonen. Zo maakt de Belg Pieter‑Jan De Pue Afghanistan tot een verhaal.
De eeuwigdurende stammenoorlog op dit kruispunt tussen de routes van Noord naar Zuid en Oost naar West, de Khyber pas. Altijd was er bovendien bemoeienis van Russen, Engelsen en Amerikanen. En de opium. De rest van de film gaat over de strijd om dat paradijs.
De strijd als droom. Running gag: de Amerikanen gaan weg, nu komt alles goed onder de Afghaanse sterrenhemel. Iedere gesneuvelde soldaat wordt een ster. Dan zal het 's nachts licht zijn. En ooit zal de hemel het licht aan de dag teruggeven. The land of the enlightened.
De Pue laat verleden en heden van Afghanistan zien door de ogen van een jongetjesbende die handelt in lapis lazuli, het eeuwenoude blauw, koperen patroonhulzen, opium, onontplofte tankmijnen.
En meer verhalen, een georganiseerd kattengevecht. Als de witte wint is Afghanistan van de jongens.
Tenslotte bereiken ze het paleis waar de jonge strijder zijn prinses heen wil brengen. Het blijkt het verwoeste Koninklijk paleis in Kaboel.
Af en toe zwenkt een roofvogel over het landschap: de camera der eeuwen.