Het verleden was in zwartwit. Dat kwam voort uit de vroege fotografie. Schilderijen in kleur waren alleen al daarom nep. Niet echt.
Serieuze filmers, van Bergman tot Truffaut werkten nog lange tijd in zwartwit. Waarom? Geen antwoord.
De laatste tijd komen oude foto's in kleur naar boven. Onlangs de Sovjets, het rood van Saul Leiter, en nu weer Lartigue in Foam. Wat aan het licht komt is wat de blik ooit oversloeg.
Maar waarom?
Jacques Henri Lartigue (1894‑1986) begon in 1902 een levenslang fotoalbum van familie en vrienden. Rond 1910 ging hij over op kleur, een zelfbedacht procedé dat het niet volhield - niet reproduceerbaar. Maar wat hij deed was nieuw. Zijn familie en vriendinnen werden model, hij bedacht glamour, regisseerde. Maar tot 1963 bleef het een hobby.
In Foam hangt nog even zijn vroege werk in kleur, de tijd van de eerste keren, de probeersels van kort na 1910. Toen meisjes modellen moesten worden en nog niet doortrapt en getraind poseerden. Je hoort hem regisseren: 'benen over mekaar'. Jurkjes in de juiste kleurcombinaties. Er zijn aantekeningen, waaruit een voorkeur voor dwaze hoeden spreekt. Een hoedengek ook nog.
In gedachten bleef hij kunstschilder, zijn totalen zijn ook onovertroffen, close-ups zeldzaam. Lang uitgedacht, het juiste licht afwachtend.
In mijn jeugd was kleur schaars. Behalve in het technicolor in de bioscoop. Doris Day en Rock Hudson in The Pyama game waren een van vrolijkheid uit z'n vel barstende leugen. Film was leugen. Zoals die andere bron van kleur, de kerk. Men kwam naar de kerk om kleur te zien. In de kazuifels, in de kleren van Maria Magdalena.
Op school stelde waterverf diep teleur. Daarom begrijp ik zo goed dat Lartigue - heel kinderlijk - de kleurigste onderwerpen bleef kiezen.
Pas Melville zou in de jaren '70 met zijn winterse misdaadfilms door het sprookje heen breken en de kou, het vuil laten zien. Kleur was eindelijk vies. En bijna zwartwit.