Litteken

 Gisteren werd een wond tussen twee vingers bij mij gehecht door een ziekenhuisstagiaire die me bezwoer dat er niets zichtbaars van zou overblijven. Vreemd, eens was een litteken een ereteken.

 De dichter Michael Palmer begon zijn 'Brief aan Rotterdam' op Poetry zo: 'De twee littekens op mijn gezicht lijken langzaam naar elkaar toe te groeien'. Zijn oudste kreeg hij op zijn vierde jaar. Mijn oudste was wat ik op mijn achtste jaar overhield aan een wespensteek. Heel mijn onderarm zwol op en tante Ans besloot tot een paardenmiddel: onverdunde ammonium, daarna stevig ingezwachteld. Ik verging van de pijn maar gaf geen krimp. Het werd een ontzaglijk merkteken. Gek genoeg is het sindsdien almaar kleiner geworden en nu bijna weg.

 Wat ik nog wel meedraag is de diepe snee in mijn knie, van het prikkeldraad, opgelopen op de vlucht voor een duinwachter met hond op mijn elfde.

 Het lichaam als geschiedenisboek.

 Michael Palmer schrijft: 'Dat simultane krimpen en rekken van de tijd, het 'ik' dat zijn vastheid verliest, een vastheid die het misschien nooit gekend heeft; het tastbare gevoel van tijd als een enorme ruimte tussen het 'nu' en het 'toen'.

 Terwijl de verpleegster mij dichtnaaide dacht ik aan het 'onzichtbaar stoppen' van ladders in de nylons van mijn moeder. Weg geschiedenis.

ps. De tekst van Michael Palmer staat in het nieuwe numer van Tijdschrift Terras over Catacomben.