Londen 1968

 Sinds Boris Johnson glipt Londen me geleidelijk uit de vingers. Houvast had ik nog aan Heinrich Heine, die er in 1828 was en zich verbaasde over de eindeloze rijen - door kolendamp en vocht gekleurde bakstenen huisjes. En over de huiselijkheid. Toch bewoont iedereen thuis zijn eigen kasteel 'My home is my castle'.

 Thatcher drong later met succes aan op eigen huisbezit. En de Bonzo Dog onderstreepte het met 'My pink half of the drainpipe'. Verder verbazen hem de theatrale uitstallingen in de etalages van de winkels: 'Zelfs de dagelijkse levensbehoeften verschijnen in een verrassende toverglans, doodgewone etenswaren lokken ons door hun nieuwe belichting, zelfs rauwe vis wordt zo aantrekkelijk tentoongesteld dat de regenboogachtige glans van hun schubben ons verleidt, rauw vlees ligt als geschilderd op schone, bonte porseleinen bordjes, met lachende peterselie omkranst. Ja alles lijkt wel geschilderd en herinnert ons aan de glanzende en toch zo bescheiden doeken van Frans van Mieris.(...)'

 Toen ik in 1968 zelf in Londen kwam, het krothuisje van John Peel bezocht, Tariq Ali ontmoette en in het afgetrapte Arts Lab van Jim Haynes in Drury Lane lambs chop at bij temperaturen onder nul waren vuil en armoe het meeste wat je zag. Met bonte kleuren beschilderd, dat wel. Maar ik begreep waar de revolutie van de sixties een reactie op was. Amsterdam was verwend.

 Alleen de kleine doosjes 'Raisins in chocolate' van 1 shilling had ik hier wel gewild.