Louvre-Lens

 Na een autorit langs binnenwegen door het oude mijngebied ten Zuiden van Lille, waar de arbeidershuisjes onder de terrils nu gesloopt worden.

 Terrils, uit de mijn meegekomen steen- en koolgruis, in puntb­ergen in het landschap gestort. Er groeit nauwelijks wat op. Terril, terre-il, zieke grond. Omkeren? De regen houdt niet op. Doorgaan. Net als de talloze gezinnen die lijken te lopen naar de tribu­nes van de RC Lens, die in de hoogste klasse spelen. Maar die zijn leeg. Toch staan de uitgestrekte parkee­rter­reinen tot de laatste plek vol met lokale nummerplaten.

 De gezinnen marcheren zwijgend over een nieuw betonpad achter het stadion naar een verre heuvel­rug. Er komen ook gezinnen tegemoet, op de weg terug. Honderden, nee duizen­den mensen in goedkope regenkleding. Geen rijken, geen zichtbaar culturele types. Gewone mensen. Gedempte stemmen, stille kinderen. Dan kom ik, na een kilometer of twee lopen bij de rij. Het regent. Achter aansluiten? Ik schat de wachttijd op drie kwar­tier.

 Dit is het moment waarop ik besluit de wet van de verspilde moeite in de wind te slaan. Niet binnen geweest dus, in het Lou­vre-Lens. Niks gezien van de selectie uit eeuwen Louvre. Des te meer van de mensen hier.