Jan Baeke heeft het in zijn bundel Seizoensroddel heel precies onder woorden gebracht. Woorden die weglopen van hun onderwerp, zoals mannen dat doen. Ik lees: 'De monteurs zijn bitter. Ze doen niet aan pijn./ In de garage staan ze alweer/ aan het ongeluk voor de komende nacht te sleutelen.'
De bundel zet bij mij tal van gedachtenreeksen in gang. Jenny Arean ging weleens alleen naar het café, soms was er een ook alleenstaande man. Maar kwam ze bij hem thuis dan bleek hij in haar woorden, steevast 'in een bananenkeet' te wonen. Nee, mannen kunnen niet wonen. Het zijn vrouwen die een vaasje bloemen neerzetten, een schemerlampje of gordijn ophangen, een tapijt neerleggen.
Hier duikt het mannenprobleem op, kortweg de overtolligheid. Wat wil een man? Een man wil belangrijk zijn. Dat houdt een keer op. En dan? Zijn ze getrouwd dan rest het knutselhok. Geen conversatie. Je hebt automannen en gitaarmannen, vertelde een vriendin.
Maar voor ik totaal afdwaal van Jan Baeke, een man leeft voor vrouwen, eerst voor z'n moeder, later voor een echtgenote. Maar wat als niks meer te knutselen valt? Ik denk aan zijn gedicht 'Thuis in de troostvertrekken', dat zo begint: 'Het is goed zoeken naar symbolen/ in de duisternis van deze aftandse garage.' Later meer.