Toen het concentratiekamp Buchenwald bevrijd werd door de Amerikaanse troepen hadden die in hun gevolg twee vrouwelijke fotografen. In uniform: Margaret Bourke-White en Lee Miller.
De foto's en het erbij geschreven verslag van Bourke-White (1904-1971) zijn nog gebruikt bij het proces tegen de Nazileiders in Neurenberg.
Wie was waar wanneer? Met een geladen camera? Bourke-White was overal. Wat er dan gebeurde zie je pas bij beter kijken. Niet alleen zijn haar foto's uitgelicht, haarscherp en het tegendeel van snapshots, het zijn composities die vaak veel weghebben van groepsportretten uit de schilderkunst.
Bourke-White kreeg niet alleen toegang tot historische plaatsen, ze kon de personages daar ook regisseren. Zodat wat ze deden, hoe ze erbij stonden, wel spontaan leek en niet geposeerd. Een camera, met een vrouw er achter, zeer afleidend, maar toch overtuigt wat je foto na foto in het Haags Fotomuseum ziet. De werkelijkheid betrapt, is de suggestie.
Mooi (haar regie?) is Stalin. Op een - afgekeurde - foto kijkt hij recht in de lens en zie je opeens een nogal gewone, kleine man. Op de volgende take, die op de cover van LIFE kwam: dezelfde kop, maar dan van onderen, kin vooruit, als heerser. Bij Churchill ging het andersom. Daar kreeg zijn secretaresse opdracht uit alle opnamen juist de meest menselijke te kiezen en niet die waar hij als staatsman poseerde.
Wat je ook bijblijft: niemand, geen kind, geen volwassene, lacht. Niet in het Rusland, Duitsland of Amerika van de jaren '30. Alleen als er opdracht tot gemoedelijkheid is wordt er gelachen. En de rijken. Die lachen.