Veel blijft ongezien, onbeschreven. Zoals met de auto een Duitse stad binnenrijden. Bij avond. Zwevend. Je overgevend aan het spel van het asfalt, de naderingen. En steeds is er een daar. Nooit eerder las ik hierover, nu staat 'Het onverwoestbare' van Marion Poschmann in Tijdschrift Terras:
'met de gelatenheid van iets heel groots/ kwam deze stad op je af, haar tracés/ lichtjes kromgebogen door het zoekende elan/ gedragen door het Duitse asfaltverbond
steeds meer kruispunten, vermenigvuldigde huizen
op de vluchtheuvel tollen, zich/ laten meeslepen door middenbermen/ opspattend water, achterlichten drijven voorbij/ wilde je echt daar zwemmen/ in een duistere rivier?
je kon niets doen, niets tegenhouden/ wachtte er lang op dat het tankstation dichterbij kwam/ luisterde naar het ruisen - fluisterasfalt - / dat nooit wegebt
nooit met het primitieve blok gespeeld/ slechts met de schittering, de donkerte
schaduwblok lichtcomplex/ op elkaar gestapeld/ je treeplank naar wat zweeft/ zebrapaden als een doolhof
bij sterk belastend verkeer ligt/ turkooisblauw licht op betonnen voorgevels/ in de favoriete windrichting/ chaotisch verwijssysteem van een stad die uit/ gecompliceerde brugpijlers, uit slecht/ onderhouden straatranden bestaat
voorvoelen, voorbij iets of erlangs/ rijbanen, kracht van vermoeden/ fijn steenslag/ en bloeibitumen/ lang liep ik niet op die straat/ zonder een einde in zicht te krijgen'
(vertaald door Erik de Smedt)