Vanmiddag stond ik met Jan Roos in het Hannemahuis, het Museum van Harlingen. Te kijken naar zijn expositie Havens van Harlingen. Twee zalen met nieuw werk. Grote havengezichten op in de haven gevonden verpakkingsmateriaal. Meest in kleur, acrylaat met zijn eigen pigmenten. Vaak afgewerkt met krijt. Maar nu ook de kleintjes die hij 's ochtends maakt.
Die miniaturen geven de kern, de bondigste vorm van wat Jan Roos doet: water, lucht, meeuwen, schepen, werkers, steigers. In composities waarop je alleen maar kunt zeggen 'ja, dat is het'.
We praten over meeuwen en mensen. De meeuwen die hij altijd om zich heen heeft als hij op een steiger staat te werken op een stuk verpakkingsmateriaal, gevonden in de haven, dat voor zijn voeten op de grond ligt. De mensen zijn te herkenen aan de houdingen die horen bij hun bezigheden, een kabel uitgooien, sjorren, dat levert karakteristieke ruggen, schouders en manieren van staan op. De meeuwen denken altijd dat er iets voor ze overschiet. Afwachtende, oplettende houdingen.
Zo krijg je twee soorten groeperingen. Soms zitten de meeuwen erbij als dorstige Haarlemmers in een schuttersstuk van Frans Hals. Wat het meest opvalt, is hoezeer meeuw en mens in de oog‑hand bewegingen van Jan Roos verankerd zitten. In twee, drie trefzekere streken staat er een man, zit er een meeuw.