In deze dagen van triomfen en huldigingen komt mijn enige eigen ware triomf boven. Gejuich, applaus!
Het onderdeel waarop ik uitkwam was de Menselijke Piramide. Nog steeds geen Olympische sport. Ook niet in de sneeuw. Ik was acht, een volwassen padvindersgroep zou hem bouwen en ze zochten nog een welpje, klein en licht uiteraard, voor bovenop.
De liefdadigheidsvoorstelling in het Scheveningse Circus was groots opgezet, luchtverkenners waren erbij, zeeverkenners ook, met machtige acts. Ik heb er Gerard Reve van verteld.
Wij van de piramide droegen zwembroekjes en hadden lakens omgeslagen, want we waren Arabieren. Het wachten in de catacomben duurde lang. Het was een koude winter. Het Circus, dat toen nog geen theater was, had een piste met geurend zaagsel waardoor we eerst schreeuwend rondjes liepen voordat het bouwen in de schijnwerpers onder schettermuziek begon. Toen hij stond moest ik hem als jongste en kleinste beklimmen, terwijl trommels roffelden, en, eenmaal bovenop gekomen met mijn vlaggetje zwaaien.
Donderend applaus! Roezig van koorts stond ik in de tram terug. Een Oerlikon uit de serie 200.
Gehuldigd ben ik later nog drie keer. Dat kon alleen maar tegenvallen. Wat doe je met zo'n bos bloemen? Eenmaal buiten flikker je ze in de eerste de beste heg.