Omdat ze er nu nog niet zijn, in februari pas, denk ik aan ze. Vooral hun muziek. Als het buiten nog donker is. Er zijn meisjes die Merel heten. Niet omdat de merel zo mooi is, eerder omdat hij zo goed zingt. Merels zijn jazzmusici. Geen van hun muziekjes lijkt op het vorige. Vooral in het onverwachte afbreken van hun melodietjes, hun notenreeksen onderscheiden ze zich. Niet dat ik iets van vogels weet. Wat me bij merels ook treft is hoe zacht ze musiceren, zich onderscheidend door terughoudendheid. Deze 'Ode aan de merel', de vroege vogel van Godelieve Prantl, zegt het, in haar bundel 'Geen weet van vallen'.:
O minstreel van het vogelrijk/ Ik draag mijn oren wijd
uw melodieën glinsteren/ nog voor de dag begint
wil mij uw snavel lenen/ uw vleugels voor de hoogste tak
leer mij hoe rond de vogelrug/ de borstkas vrij, de poten losjes
naast elkaar zo wil ik fluiten/ al was het maar een halve toon
en dat de mensen stil gaan staan/ en tussen hen Marie en hoe ze kijkt
als ik een wijsje samenstel/ ut louter bessen
maar als ik naar haar zwaaien wil/ dan is ze weg
de klok slaat zeven, nog even/ en de bakkerszoon heeft mijn Marie
haar halfje bruin gegeven.