'...en met zijn ene hand houdt hij de pols van de andere vast op zijn rug' is een regel in het gedicht van Miriam van hee met de titel 'halte oud gemeentehuis'. Graag zou ik meer weten over hoe en waarom, waar en wanneer mensen zichzelf vasthouden. Zeker op straat, waar haar bundel 'ook daar valt het licht' (2013) eindigt.
De één kauwt gedurig op zijn binnenwang, een volgende omvat steeds zijn pols, en jeuk lijken er velen te hebben. Vooral op straat. Alsof ze bang zijn zich daar te verliezen. En zich steeds moeten vergewissen dat ze er nog zijn.
Er zijn er ook die zich strelen. Niet altijd uit zelfliefde. Het gedicht van Miriam Van hee, die niet van hoofdletters houdt zo lang ik haar lees (sinds 1984), gaat zo:
hier is altijd iets te zien, een man aan de bushalte
kijkt naar de dienstregeling, hij bukt zich om iets
van de grond op te rapen, hij steekt het bij zich
en kijkt om zich heen, een andere man ziet mij
komen over het zebrapad, hij wacht om de hoek
uit de wind en met zijn ene hand houdt hij de pols
van de andere vast op de rug
hij vertelt me dat hij in een schrift heeft geschreven
hoe hij mijn moeder ontmoette, op de boot had
hij altijd beweerd, maar dat blijkt niet waar
daar overwoog hij alleen of het met haar
iets kon worden, maar waar dan, vraag ik hem
waar was het dan, maar hij stapt op de bus
die hem meeneemt en mij aan de halte
in het ontbrekende achterlaat