Morgengrauen

 Zonder zacht manende moeder en de dreigende school stond ik in Amsterdam machteloos. Ik moet uitrusten van m'n jeugd, bedacht ik. Ging zo laat naar bed als mogelijk was en sliep door de wekker heen.

 Zonder het carillon van de Westertoren had ik hele dagen doorgeslapen. Colleges sloeg ik over. Kwam mijn oude droom van een wereld waarin ik nooit meer hoefde op te staan als het buiten nog donker was uit?

 Nooit meer het Morgengrauen, waarin de wereld zich op me stortte? En waarin Amsterdam niets anders was dan een rij fietsers, zes dik, op de Munt, waar vanuit een betonnen hokje op een zuil een verkeersagent ze via luidsprekers toesprak: 'Wil de dame in de groene regenjas voortaan wel rechtshouden en netjes voorsorteren.' (1962)