Moritz Ebingers goud

 In het vernieuwde Museum Kranenburgh in Bergen is het grote goudproject van de Zwitser Moritz Ebinger present. Als kind speelde hij in een verlaten goudmijn in het Zwitserse Malcatone. Alles lag daar nog: rails, mijnschachten, zelfs een kantoor met correspondentie.

 Veel nam hij mee naar huis en bezit hij nog. Zo begon zijn zoektocht naar de betekenis van goud. Die via alchemie (de goudmakers) naar de kunst voerde. Moritz sprak goudgravers, chemici, smokkelaars, juweliers. Op de Documenta liet hij al bezoekers met geleend gouddraad figuren op zijn pak borduren. In Bergen mogen ze zelf met scheppen en keukenzeven op zoek gaan naar goud.

 Na twee jaar speuren vond hij in Thailand wat hij zocht: in Azië worden Boeddhabeelden door bezoekers van tempels sinds eeuwen bedekt met bladgoud, zodat zich lagen vormen, zo dik dat je naar de oorspronkelijke vorm alleen nog maar kan raden en abstracte sculpturen ontstaan.

 De monniken legden hem uit dat het zoiets was als het aureool in het Christendom. Goud brengt geluk. Met dit verschil: voor dit ritueel was echt goud ook niet nodig, zeiden ze. Integendeel. Vertoon van rijkdom gold als beledigend voor de godheid. Geloof was voldoende. Zodat ook de armen konden meedoen aan het ritueel. Namaakgoud was daarom beter.

 ps. Het buitengewone boek met goudkunst van Moritz en goudver­halen van tal van Nederlandse schrijvers is tegelijk verschenen en te krijgen in Bergen. 

Tags: