Naar Parijs

 'Ken je die van die twee jongens die naar Parijs gingen?' Antwoord: 'Ze gingen niet.' Waar zou je in een dromerij anders naar toe gaan dan naar Parijs? Zo was het.

 De tentoonstelling in het Van Gogh-museum laat de pioniers zien, Vincent zelf ging met de trein, in 1873 voor het eerst. Als Van Gogh kwam eten wist men dat hij in het vuur van zijn woordenvloed vaak een krijtje uit z'n zak greep en het dure behang voltekende, daarom werd er bij voorbaat papier op­gespeld. Hij hield het niet lang uit in Parijs.

 Maar eerder al kwamen Ary Scheffer en Jongkind en later Van Dongen en Mondriaan. Ook zag ik voor het eerst Kaemmerer, vriend van Jacob Maris, schilder van elegantie.

 Dit verhaal zwijgt over de gelukszoekers die ontmoedigd terugkeerden, na koude huurkamers en syfilis. En over pelgrims als ik. Nog vaak repeteer ik in halfslaap de routes naar Parijs met 2CV's en R4's in de pre-Autoroute tijd, dwars door steden met talloze stoplichten.

 Naar Brussel via Boom? En dan Mons, Bavay, St. Quentin, Ham, Compiègne? Of via Gent naar Lille, en dan Arras, Bapaume, Péronne? Of Maubeuge, Vervins, Laon, Soissons? Ik zie de bruggen over spoorwegemplacementen en de driebaanswegen waarvan de middelste baan bestemd was voor inhalers uit beide richtingen. En lees de ongelukken in de regionale krant met wellust­ige omschrijvingen. Wrakken in de berm. Trois morts, complétement carbonisé. Ou sont les accidents d'antan.