Nederlaag

 De afstand tussen het grootse plan en de pijnlijke mislukking werd me nooit zo duidelijk als op mijn twaalfde, toen ik met straatvriendje Japie naar het drielandenpunt fietste. En ver­der.

 Al weken zaten we gebogen over onze landkaart met de drie kleuren en het dagschema dat me maakten voor drie weken, met exotische namen als Blankenheim en Schleiden. Maar eenmaal in Maastricht uit de trein gestapt en onze fietsen beladen met het tentje en de plunjebalen bleek geleidelijk wat we vergeten waren: de bergen. Het was warm.

 Uitgeput bovenop het Drielandenpunt aangeland kwam ik de eerste Duitser tegen, die ons tegemoet fietsend riep 'Rechtshalten du Arschloch'.

 Maar de hoogteverschillen vielen tegen. De grootste stukken liepen we naast onze fietsen en het kamperen 'ins freie' - geld voor een camping hadden we niet - kwam neer op slapen op de kouwe grond in een winderige vlakte. Luchtbedden hadden we niet. We warmden op ons Campinggaz brandertje wat bruine bonensoep uit een pakje.

 Na drie dagen gaven we het op. Staken de Belgische grens over en konden nu eens bergaf rijden, richting Verviers. Het station Maastricht bracht de verlossing. We telden ons geld en namen de laatste warme, lege trein.

 In een orgie hebben we toen onze laatste centen besteed aan flesjes luxe Hero-limonade. Tien soorten. Cerise, Cassis, Sinas en zo verder. Toen Den Haag in zicht kwam zaten we aan de Perl.

 Maar ik wist wat me te wachten stond. Mijn vader lachte me daverend uit. Dat was dus onze drieweekse tocht geweest.